TEST 92: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Hou - Rookcoupé - bal - beleven - beschaafd - bezittingen - bovenaan - hebt - plaatse - staan - stukvallen - veranderen - verdienen - vis - vlot -

1. Har De kogt høne eller kogt fisk? > Hebt u gekookte kip of gekookte ?
2. Denne kuffert indeholder kun personlige ting. > In deze koffer zitten alleen persoonlijke .
3. Der er parkometre i denne gade. > In deze straat parkeermeters.
4. det er gået nemt / let / glat > het is verlopen
5. det skal være andersledes > dat moet anders / dat moet
6. tjene en formue > een vermogen
7. en jublende glæde over / ved > heel veel plezier aan
8. Hold fast! > Houd je vast! / je vast!
9. Sovevogn. Rygekupé. > Slaapwagen. .
10. gribe bolden > de vangen
11. et dannet menneske > een ontwikkeld / mens
12. stå i spidsen > op de eerste plaats staan / staan
13. Hvilken blodtype har De / du? > Welke bloedgroep u?
14. gå / springe i stykker > in stukken vallen / stukgaan / / kapot gaan
15. være på pletten > ter zijn / present zijn / aanwezig zijn

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!