TEST 90: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Wat - alstublieft - best - beweging - erg - loopt - mijn - onzin - stiekem - strijken - telefoon - uitgaand - ver - verstaan - vertrek -

1. i det skjulte > / heimelijk / stilletjes
2. han har ændret sig meget > hij is veranderd
3. Har du nogen brochure med afgangs- og ankomsttider? > Hebt U een boekje met de tijden van en aankomst?
4. satse alt > alles op alles zetten / zijn uiterste doen
5. Jeg forstår kun mit modersmål. > Ik kan alleen mijn moedertaal .
6. Jeg skulle gjerne avbestille billettene mine. > Ik wil kaartjes afbestellen.
7. Denne atlet løber hurtigst. > Deze atleet het snelst.
8. det går for vidt > dat gaat te
9. offentlig telefon > openbare
10. sige noget sludder > praten
11. Sikken skandale! > een schandaal!
12. Vil De / du være venlig at række mig saltet! > Kunt u mij het zout aangeven
13. forudsat ,at > vooropgesteld dat / ervan dat / mits
14. Vær venlig at stryge dette tøj. > Zoudt u deze kleren voor mij willen ?
15. Rør Dem / dig ikke! > Niet bewegen! / Geen !

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!