TEST 88: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Zout - bedankt - boven - dienst - gelukkig - geval - hem - kleren - ongeluk - over - registreren - touw - voor - wil - zijn -

1. sagen haster > het is een urgent / het is dringend
2. Tak for din gæstfrihed. > Hartelijk voor Uw gastvrijheid.
3. Har De / du set ulykken? / Så De / du ulykken? > Hebt u het gezien?
4. Peber. Salt. Sennep. Eddike. Ingefær. Kanel. > Peper. . Mosterd. Azijn. Gember. Kaneel.
5. jeg kan ikke lide ham > ik kan niet uitstaan
6. Jeg vil gerne have en alkoholfri aperitif. > Ik graag een alcoholvrij aperitief.
7. binde med sejlgarn > met dichtbinden
8. under en god stjerne > onder een gesternte
9. indlevere bagagen > de bagage opgeven / afgeven / laten
10. Transportomkostningerne er ikke indeholdt i tilbuddet. > De transportkosten niet bij de aanbieding inbegrepen.
11. Hvad drejer det sig om? > Waar gaat het ?
12. over gennemsnittet > het gemiddelde
13. Vær venlig at stryge dette tøj. > Zoudt u deze voor mij willen strijken?
14. Vær venlig at stryge dette tøj. > Zoudt u deze kleren mij willen strijken?
15. gøre en tjeneste > een bewijzen

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!