TEST 57: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Makkelijk - donker - geldt - heel - intellectueel - maag - maaltijden - noodzakelijk - overgaan - rug - schulden - tijden - treffen - uit - voorradig -

1. i mørket > in het
2. Han ser intellektuel ud med briller. > Hij ziet er uit met zijn bril.
3. Har du nogen brochure med afgangs- og ankomsttider? > Hebt U een boekje met de van vertrek en aankomst?
4. lave en aftale > een regeling
5. ødelægge sin mave > zijn bederven
6. Jeg håber, at alle dine drømme går i opfyldelse. > Ik hoop dat al je dromen zullen komen.
7. vende ryggen til én > iemand de toekeren
8. mene det er nødvendigt > het nodig achten / het achten
9. Det er en meget god vane. > Dat is een goede gewoonte.
10. det gælder / tæller ikke > dat niet / dat telt niet
11. Letter sagt end gjort! > gezegd!
12. Er det muligt at få vegetarisk mad? > Is het mogelijk om vegetarische te krijgen?
13. overskride grænsen > de grens overtrekken / overschrijden /
14. på lager > / in voorraad
15. gøre gæld > maken

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!