TEST 43: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
begint - drie - dutje - hadden - krankzinnig - macht - moest - neus - plezier - schots - schreeuwen - staart - verkeerd - voertuig - zin -

1. i ordets egentlige betydning > in de ware van het woord
2. tage en lur > een doen
3. kan lide > hebben in
4. Vi holdte en nytårsfest. > Wij een feest met oud en nieuw.
5. skrige af smerte > van de pijn
6. en skør ide > een idee
7. komme til magten > aan de komen
8. Forestillingen begynder kl ... > De voorstelling om ...
9. forkert nummer > verbonden
10. kryds og tværs > kriskras door elkaar / en scheef
11. Du burde skamme dig. > Je je schamen!
12. pudse sin næse > de snuiten
13. hunden logrer med halen > de hond kwispelt met zijn
14. huset har 3 etager > het huis is verdiepingen hoog
15. Køretøjet er beskadiget. > Het is beschadigd.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!