TEST 39: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Uitrit - aanbod - beëindigen - buiten - deel - diep - grenzen - heen - hem - hond - horloge - idee - inderdaad - regelen - treinkaartje -

1. Tager du samme vej i begge retninger? > Neem je de zelfde route en terug?
2. ude af drift > werking
3. jeg traf ham hjemme > ik heb thuis aangetroffen
4. Dette tilbud er bindende indtil ... . > Dit geldt tot ...
5. virkelig >
6. ikke den ringeste anelse > geen flauw
7. alt har sine grænser > alles heeft zijn
8. indrette / arrangere det, så > het dat / ervoor zorgen dat
9. Hold udkørlsen fri! > vrijhouden!
10. for størstedelen > grotendeels / voor een groot
11. sove tungt / dybt > / vast slapen
12. uret er gået i stå > het staat stil
13. lukke brevet > de brief
14. Må man tage hunde med? > Zijn honden toegestaan? / Mag je je meenemen?
15. løse en billet > een tramkaartje / kopen / nemen

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!