TEST 36: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
aanbod - als - bibberen - controleren - doel - gewoonte - ik - kant - naar - spijker - staan - wel - werking - weten - wisselkoers -

1. udbud og efterspørgsel > vraag en
2. det er muligt / det kan godt være > dat kan zo zijn / dat kan best / dat is heel goed mogelijk
3. Vil De / du tjekke oliestanden? > Wilt u het oliepeil ook ?
4. Ring til mig, hvis der er problemer. > Belt u mij er zich problemen voordoen.
5. citre af kulde / ryste af kulde > van de kou
6. skyde en sten på > een steen gooien
7. en krum negl > een kromme nagel / een kromme
8. Forstyrrer jeg? > Stoor ?
9. træde i kraft > in treden
10. Hvad er vekselkursen? > Hoe is de wisselkoers? Wat is de ?
11. på hans side > aan zijn zijde / aan zijn
12. så vidt jeg ved > bij mijn
13. være vant til > gewend zijn om / de hebben
14. være ved at > op het punt om
15. sætte sig et mål > zich een stellen

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!