TEST 29: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
bescherming - blunder - domme - ganser - gedaan - gehaast - gereed - hoorn - humeur - loopt - plaatse - staat - staat - uitzondering - verschilt -

1. han træder hen til vinduet > hij naar het raam / hij gaat naar het raam
2. lave en dumhed > een begaan
3. med undtagelse af > met van
4. Jeg har den ... afgivet en bestlling / ordre til Dem. > Op ... heb ik een bestelling bij u .
5. Temperaturen ændrer sig fra sted til sted. > De temperatuur van plaats tot plaats.
6. Der er en regnbue på himlen! > Er een regenboog aan de hemel!
7. beskytte > in nemen
8. af hele hjertet > van harte / met heel mijn hart
9. Vi har skyndt os for at komme til tiden. > Wij hebben ons om op tijd te komen.
10. uret er gået i stå > het horloge stil
11. stille sig uforstående > zich van den houden
12. på stedet > ter
13. være i godt humør > in een goed zijn / goed gehumeurd zijn
14. være klar til > zijn om
15. løfte røret > de opnemen

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!