TEST 26: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
een - gezelschap - grens - hart - heeft - koop - kring - leven - mineraalwater - ver - verplegen - wel - zake - zilver - zingen -

1. i familiens kreds > in familiekring / in de huiselijke
2. med blødende hjerte > met een bezwaard / met een bezwaard gemoed
3. Jeg har den ... afgivet en bestlling / ordre til Dem. > Op ... heb ik bestelling bij u gedaan.
4. Jeg vil gerne have en danskvand, som ikke er for kold. > Mag ik een glas dat niet te koud is?
5. det kan meget vel stemme > dat kan waar zijn
6. af sølv > van
7. miste livet / dø > om het komen
8. pleje en syg > een zieke / een zieke verzorgen
9. alt har sine grænser > alles zijn grenzen
10. en god forretning > een goede
11. holde én med selskab > iemand houden
12. komme til sagen > ter komen
13. overskride grænsen > de overtrekken / overschrijden / overgaan
14. Hvor langt er der til kysten? > Hoe is het naar de kust?
15. synge falsk > vals

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!