TEST 24: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Gaat - boekje - dag - drukke - fiets - gaten - gemaakt - genoeg - geven - kans - rug - vaak - vermelden - ziet - zwembad -

1. Sæt dig ned og gør dig det behageligt! > U zitten en maakt het U gemakkelijk!
2. Har du nogen brochure med afgangs- og ankomsttider? > Hebt U een met de tijden van vertrek en aankomst?
3. Jeg har hovedpine og ondt i ryggen. > Ik heb hoofdpijn en pijn in mijn .
4. Der er hul i den. > Er zitten in.
5. det er ikke noget at tale om > dat is de moeite van het niet waard
6. det ser ud som om, det vil regne / det ser ud til regn > het eruit, of we regen krijgen
7. Middag er det varmeste tidspunkt på dagen. > De middag is het heetste moment van de .
8. Til alt held havde vi penge nok. > Gelukkig hadden wij geld.
9. give et tegn / signal > een teken
10. en livlig gade > een straat
11. Forsøm ikke muligheden! > Laat de niet voorbijgaan!
12. Er svømmebassinet opvarmet? > Is het verwarmd?
13. stige på cyklen > op de stappen
14. Hvor tit går bussen? > Hoe gaat de bus?
15. tysk fabrikat / produkt > Duits produkt / Duitse makelij / in Duitsland

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!