TEST 23: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
aansteken - alles - draak - geen - heel - ineens - levensgevaarlijk - minimumafname - ook - verschillende - voorbij - wijnkaart - witregel - wuiven - zaal -

1. i al venskabelighed > gezellig / gemoedelijk
2. jeg har ikke noget valg > ik heb keus
3. Jeg vil gerne have vinkortet. > Kunt u mij de brengen?
4. der kan være 90 personer i salen / salen rummer 90 personer > er is ruimte voor negentig mensen in de
5. det er livsfarligt > het is
6. det går over > dat gaat over / dat gaat
7. Vil De / du tjekke oliestanden? > Wilt u het oliepeil controleren?
8. Mindste aftagelsesmængden er 200. > De is tweehonderd.
9. vinke med lommetørklædet > met een zakdoek
10. springe en linje over > een / een regel overslaan
11. frem for alt > voor
12. på en gang > met één klap / in één klap / eensklaps /
13. tænde et lys > een kaars
14. gøre grin med > de steken met
15. Først vil jeg gerne have en blandet forret. > Als voorafje wil ik graag voorgerechten.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!