TEST 22: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Gedraag - gezicht - godsnaam - graag - honden - huilen - koorts - legitimatiebewijs - niets - rekening - tamelijk - vallen - verbruikt - vingers - weg -

1. Har De / du legimitation på Dem / dig? > Hebt u een bij u?
2. Maskinen bruger for meget strøm . > De machine te veel stroom.
3. jeg er ligeglad > voor mijn part / dat maakt mij uit
4. Jeg har feber / er forkølet / har diarré. > Ik heb / griep / diarree.
5. kende én af udseende > van kennen
6. Det er temmelig risikabelt. > Het is riskant. / Het is aardig riskant.
7. Vi vedlægger vores faktura. > Bijgesloten vindt u de .
8. For guds skyld! > In !
9. brænde sine fingre > zijn branden
10. Hunde adgang forbudt! > Verboden voor !
11. Hvordan kommer jeg lettest derhen? > Wat is de beste om daar te komen?
12. gå / springe i stykker > in stukken / stukgaan / stukvallen / kapot gaan
13. Få ikke barnet til at græde. > Maak dat kind niet aan het !
14. Vær ordentlig! > je!
15. Først vil jeg gerne have en blandet forret. > Als voorafje wil ik verschillende voorgerechten.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!