TEST 18: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
aantrekken - dringend - gewassen - gooien - harder - hem - hier - hoe - komen - moeilijke - opnemen - schaduw - voordoen - wegwijzer - werken -

1. i skyggen > in de
2. tage rent undertøj på > schoon ondergoed
3. sagen haster > het is een urgent geval / het is
4. Tal højere! > Praat ! / Harder praten!
5. Man kan heldigvis stole på ham. > Gelukkig kan je vertrouwen.
6. Jeg vil have håret vasket. > Ik wil graag mijn haar hebben.
7. der tager De / du fejl > vergist u zich
8. Vi regner med en leveringstid på 8 dage. > Wij met een levertijd van acht dagen.
9. Ring til mig, hvis der er problemer. > Belt u mij als er zich problemen .
10. skyde en sten på > een steen naar
11. jo mere man har, jo mere vil man have > meer men heeft, des te meer men wil
12. træde i stedet for > in de plaats van / de plaats innemen van
13. et svært punkt > een kwestie
14. Længere fremme står et vejskilt. > Verderop staat een / een bord.
15. løfte røret > de hoorn

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!