TEST 13: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Bent - aan - achterlaten - alleen - bijwonen - bril - inbegrepen - ontvangen - over - rubber - slaappillen - volle - waard - winst - woedend -

1. Lad det være min hovedpine! > Laat dat maar aan mij !
2. Han ser intellektuel ud med briller. > Hij ziet er intellectueel uit met zijn .
3. De skal deponere en pant. > U moet een borg .
4. Jeg vil gerne have et sovemiddel. > Ik wil graag een slaapmiddel. / Ik wil graag wat .
5. Regner De / du med at blive boende her? > u van plan hier permanent te wonen?
6. det er ikke noget at tale om > dat is de moeite van het vermelden niet
7. af gummi > van
8. Vi har modtaget Deres reklamation. > Wij hebben uw bezwaarschrift .
9. give udbytte / give gevinst > opleveren
10. alene tanken om > het idee al
11. alt inkluderet undtagen benzin > alles , behalve de benzine
12. en skefuld / en ske fuld (af..) > een lepel vol / een lepel
13. Hunde skal føres i snor! / Hunde skal holdes i snor! > Honden aanlijnen! / Honden de lijn!
14. Hvorfor er du så sur / rasende på mig? > Waarom ben je boos / op mij?
15. høre en forlæsning > een lezing

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!