TEST 10: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
binnen - doel - eerlijk - gebied - gefeliciteerd - helemaal - huid - leuk - loop - opmaken - overige - raad - stellen - uitschakelen - worden -

1. i løbet af denne uge > in de van deze week
2. de øvrige mennesker > de rest van de mensen / de mensen
3. lige efter mit hoved > in mijn geest
4. Vil De gøre regningen klar? > Wilt u de rekening alstublieft?
5. Tillykke med fødselsdagen, kære du! > Hartelijk met je verjaardag, mijn schat!
6. give et godt råd > een goede geven
7. slukke for strømmen > de stroom
8. inden for sine fire vægge > zijn vier muren / thuis
9. drage nytte af / slå mønt af > een slaatje slaan uit / beter van / profiteren van
10. ærlig talt > gezegd
11. stille en opgave > een taak opgeven / een taak
12. Hun har sart hud. > Zij heeft een zachte .
13. Hvor rart! > Wat aardig! / Wat !
14. på dette område > op dit
15. nå målet > het bereiken

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!