TEST 3: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
betalen - bron - daarmee - gaan - goed - inbegrepen - kaars - met - mijn - reservewiel - scheerapparaat - staat - verstand - vijf - zou -

1. Jeg gjorde en fejltagelse. Det er min skyld. > Ik heb een fout gemaakt. Het is schuld.
2. Jeg vil gerne have lidt flæskekød. > Ik graag wat varkensvlees willen hebben, alstublieft!
3. den sunde menneskeforstand > het gezonde
4. Her er reservehjulet. > Hier is het .
5. det er muligt / det kan godt være > dat kan wel zo zijn / dat kan best / dat is heel mogelijk
6. betale en bøde > een boete
7. Vi er ikke indforstået med Deres / din beregning. > Wij zijn het niet eens uw berekening.
8. Vi lejer fem værelser, hall og køkken. > Wij huren kamers, een gang en een keuken.
9. Indgår varmen i lejen? > Is verwarming in de prijs ?
10. Hold op med det! > Ophouden !
11. fra god kilde > uit betrouwbare
12. Stik til barbermaskine! > Stopcontact voor het
13. gå ombord > aan boord
14. tænde et lys > een aansteken
15. Længere fremme står et vejskilt. > Verderop een wegwijzer / een bord.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!