TEST 99: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Wilt - als - alstublieft - draaien - koop - niemand - pas - plaats - rijden - spijt - tijd - vrij - weer - wil - zou -

1. han er kun 7 år gammel > hij is zeven jaar
2. han kom til sidst > hij kwam laatste
3. Jeg beklager, men vi har ingen ledige værelser. > Het spijt me, wij hebben geen kamer .
4. Jeg beklager, men vi har ingen ledige værelser. > Het me, wij hebben geen kamer vrij.
5. jeg har ikke tid > ik heb geen
6. Jeg vil gerne have en salat tilberedt med olie og citron. > Ik graag salade met een dressing van olie en citroen.
7. jeg vil hellere > ik liever
8. til salg > te
9. ringe op > een nummer
10. inden anden > anders
11. Ønsker De / du en stor eller lille øl? / Vil De / du have en stor eller lille øl? > u een klein of een groot glas bier?
12. dreje til højre / køre til højre > rechts
13. Hvordan er vejret i dag? > Hoe is het vandaag?
14. Værsgod at tage plads! > Gaat u zitten! / Neemt u , alstublieft!
15. Værsgod at tage plads! > Gaat u zitten! / Neemt u plaats, !

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!