TEST 98: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Mijn - Neemt - boven - even - examen - gaan - kwam - naam - nacht - stopt - trein - vijf - volgende - wenst - zo -

1. Jeg gik netop forbi. > Ik toevallig hier langs.
2. jeg går op ad trappen > ik ga naar / ik ga de trap op
3. Jeg kommer med det samme! > Ik kom !
4. Jeg skal til eksamen / prøve i morgen. > Mijn is morgen.
5. Det fryser 5 grader. > Het is graden onder nul.
6. vi er lige gamle > wij zijn oud
7. Vi kunne ikke gå ud fordi det regnede. > Het regende, daarom konden wij niet naar buiten .
8. Min bedstefar er 90. > grootvader is negentig.
9. en nat > op een
10. toget holder ikke > de trein niet
11. Som De / du ønsker / vil! > Zoals u wilt! / Zoals u !
12. komme forsent til toget > de missen
13. Hvad hedder børnene? > Wat is de van de kinderen?
14. Værsgod at tage plads! > Gaat u zitten! / u plaats, alstublieft!
15. næste uge > komende week / week

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!