TEST 97: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Gaat - antwoord - bezet - blijft - cake - daarom - doet - geen - gezellig - leeftijd - roepen - tijdens - wilt - zeggen - zitten -

1. i en alder af 50 år > op vijftigjarige
2. bage en kage > een taart bakken / een bakken
3. Jeg håber, at du bliver til frokost. > Ik hoop dat U lunchen.
4. Bekymr dig ikke! > Maakt u zich zorgen!
5. hente lægen > de dokter halen / de dokter
6. her er det hyggeligt > het is hier
7. Vi kunne ikke gå ud fordi det regnede. > Het regende, konden wij niet naar buiten gaan.
8. sige nej > nee
9. hils ham fra mig > u hem de groeten van mij
10. et klart svar > een duidelijk
11. fuld besat >
12. Hvad drikker De / du? > Wat drinkt u? / Wat u drinken?
13. Værsgod at tage plads! > Gaat u ! / Neemt u plaats, alstublieft!
14. Værsgod at tage plads! > u zitten! / Neemt u plaats, alstublieft!
15. før / under / efter måltiderne > voor / / na de maaltijden

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!