TEST 89: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
aan - aan - gaan - gezakt - groot - heeft - heeft - kon - maanden - mijn - moeten - nee - resteren - straat - voor -

1. Tak for en meget hyggelig dag. > Hartelijk dank een erg fijne dag.
2. Han dumpede til prøven. > Hij is voor zijn examen.
3. han er blevet stor / er vokset > hij is geworden / hij is gegroeid
4. Han er tysker. > Hij de Duitse nationaliteit.
5. De må vente. > U moet even wachten. / U zult wachten.
6. De skal rejse ud om igen 3 måneder. > In drie moet u het land weer verlaten.
7. Jeg er så glad for, at du kunne komme. > Ik ben blij dat je komen.
8. Jeg ved ikke, om hun har en søn eller en datter. > Ik weet niet of zij een zoon of een dochter .
9. det er min tur > ik ben de beurt / het is mijn beurt
10. Vi tager ofte op i bjergene om vinteren. > Winters we vaak naar de bergen.
11. sige nej > zeggen
12. krydse gaden / gå over gaden > de oversteken
13. Hvad tænker du på? > Waar denk je ?
14. Vær venlig at pudse mine sko. > Kunt u schoenen poetsen?
15. være tilovers > overblijven /

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!