TEST 88: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Kunt - Waar - aan - bezorgd - eens - heeft - hoesten - huis - jas - oudere - spreken - tien - verkeren - weken - zulke -

1. tale dæmpet > zacht praten / zacht
2. halv ti > half
3. Han er blind på det venstre øje. > Hij is blind zijn linkeroog.
4. have hoste >
5. Jeg var der fjorten dage sidste år. > Vorig jaar ben ik er twee geweest.
6. bekymre sig om > zich zorgen maken over / zijn over
7. min ældre bror > mijn broer
8. Hun hyrede en taxa. > Zij een taxi gehuurd.
9. husets rum > de kamers van het
10. Hvor er De / du født? > bent u geboren?
11. sådanne mennesker > mensen
12. Vær venlig at pudse mine sko. > u mijn schoenen poetsen?
13. bære (en) frakke > een dragen
14. være indforstået med > het zijn / akkoord gaan
15. være rask > gezond zijn / in goede gezondheid

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!