TEST 73: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
bewegen - blij - even - gedeeltelijk - helpen - hem - keer - tafel - verheugen - verlopen - verschil - viool - zaak - zegt - ziet -

1. Kan jeg hjælpe Dem / dig? > Kan ik u ?
2. man siger / det siges > men
3. De må vente. > U moet wachten. / U zult moeten wachten.
4. Jeg kan ikke bevæge min højre arm. > Ik kan mijn rechterarm niet .
5. jeg tror på ham > ik geloof
6. det angår ikke dig > dat gaat je niks aan / dat is jouw niet
7. det glæder mig > ik ben
8. Dette pas er udløbet. > Dit paspoort is .
9. til dels > / ten dele / deels
10. glæde sig til noget > zich op iets
11. en stor forskel > een groot / een groot onderscheid
12. spille violin > spelen
13. Et bord til ... personer, tak . > Een voor ... personen graag.
14. Hun er ældre, end hun ser ud. > Zij is ouder dan ze eruit .
15. Hvor mange gange? > Hoeveel ?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!