TEST 61: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
beslist - dank - doet - gaan - gemakkelijk - groot - houden - postzegels - trein - uitnodigen - veel - wanneer - werkelijkheid - zingen - zuiden -

1. i virkeligheden > in
2. Lad som om du er hjemme! > Maak het u !
3. Tak for en meget hyggelig dag. > Hartelijk voor een erg fijne dag.
4. han kommer helt sikkert > hij komt zeker / hij komt
5. Varmen / varmeapparatet fungerer ikke. > De verwarming het niet.
6. Jeg vil gerne byde dig ud en aften. > Ik zou U graag een avond willen om ergens heen te gaan.
7. det koster mange penge > dat kost geld
8. Til hvornår? / Hvornår ses vi? > Tot wanneer? / Voor ?
9. Skal vi gå i zoo eller på museum? > Zullen wij naar de dierentuin of naar het museum ?
10. Skal vi køre med tog eller bil? / Skal vi tage toget eller bilen? > Gaan wij met de of met de auto?
11. mod syd / sydlig > naar het
12. Hvor kan jeg købe frimærker? > Waar kan ik kopen?
13. synes om / være glad for > mogen / van
14. synge en sang > een lied
15. så stor som > zo als

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!