TEST 60: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Bent - Rijdt - Voor - alstublieft - bijvoorbeeld - blij - dingen - duidelijk - genoeg - helemaal - kinderen - mijn - zomer - zou - zwemmen -

1. han er på samme alder som mig > hij is van leeftijd
2. Lav ingen dumheder ! > Doe geen domme ! / Doe niet zo stom!
3. Jeg er så glad for, at du kunne komme. > Ik ben dat je kon komen.
4. Jeg vil gerne have en billet til i aften. > Ik graag een kaartje voor vanavond willen hebben.
5. det er klart > dat is / begrepen
6. Vi er 2 voksne og 4 børn. > Wij zijn met twee volwassenen en vier .
7. Til hvornår? / Hvornår ses vi? > Tot wanneer? / wanneer?
8. ikke dårligt > niet slecht
9. Klip håret! > Knippen, !
10. om sommeren > in de
11. foreksempel / f.eks. > / bijv. / b.v.
12. spise sig mæt > eten / zich verzadigen / zich rond eten
13. Er du her på ferie? > U hier met vakantie?
14. svømme gennem en flod > door een rivier
15. Kør ca. en kilometer længere. > u ongeveer een kilometer door.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!