TEST 58: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Betaalt - dag - huis - loopt - neem - onder - op - sinds - snelweg - tijd - tijd - wachten - wandeling - weer - zoete -

1. i 2 år > twee jaar
2. Lad os håbe at vejret holder. > Laten we hopen dat het goed blijft.
3. De må vente. > U moet even wachten. / U zult moeten .
4. jeg tror han er syg > ik aan dat hij ziek is
5. Jeg vil gerne have sød rødvin. > Ik wil graag een rode wijn.
6. hele tiden > de hele
7. det bliver lyst > het wordt licht / de breekt aan
8. Det fryser 5 grader. > Het is vijf graden nul.
9. Vil De / du betale nu eller senere? > u nu of later?
10. mit ur passer > mijn horloge goed
11. Toget er forsinket / rettidigt. > De trein heeft een vertraging / is op .
12. Hold op med det! > Houd daarmee !
13. huset brænder > het staat in brand
14. Hvordan kommer jeg til motorvejen? > Hoe kom ik op de ?
15. gå en tur > een maken

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!