TEST 43: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Gaat - Hoe - alleen - bel - drinken - iedereen - leraar - oud - tot - van - voor - wijn - ziek - ziek - zou -

1. Han dumpede til prøven. > Hij is gezakt zijn examen.
2. Jeg ringer til dig senere. > Ik je later.
3. Jeg vil gerne have en blandet salat uden tomater. > Ik graag een gemengde salade zonder tomaten willen.
4. jeg vil hellere have vin end øl > ik drink liever dan bier
5. helt alene > helemaal
6. Hils allesammen! > Groeten aan .
7. Min bedstefar er gammel, men rask. > Mijn grootvader is maar gezond.
8. min gamle lærer > mijn oude
9. Disse ting er ikke mine. > Deze spullen zijn niet mij.
10. alvorligt syg > ernstig
11. fra start til slut > van het begin het eind
12. drikke af koppen > uit het kopje
13. Hun kom ikke, fordi hun var syg. > Zij was , dus kwam zij niet.
14. Hvordan er vejret i dag? > is het weer vandaag?
15. Værsgod! > Ga je gang! / uw gang!

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!