TEST 39: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Waarom - aan - boot - breed - droom - einde - enorm - geld - geweldige - kaartje - koud - nat - niets - pikken - tafel -

1. i starten / i begyndelsen > in het begin / het begin
2. 30 meter bred > dertig meter
3. tabe penge > verliezen
4. Han tog båden, og hun tog toget. > Hij ging met de en zij met de trein.
5. have en drøm > een hebben
6. jeg fryser / jeg har det koldt > ik heb het
7. Jeg har tabt min billet. > Ik ben mijn kwijt.
8. Det er en vidunderlig overraskelse. > Dat is een verrassing.
9. det er vigtigt > het is belangrijk voor mij
10. det skader ikke > dat geeft / dat kan geen kwaad
11. Af hvilken grund? > Om welke reden? / ?
12. blive våd > worden
13. slutte > ten lopen / ophouden
14. gå i biografen / biffen > naar de bioscoop gaan / een bioscoopje
15. sætte sig til bordet > aan gaan

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!