TEST 31: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Accepteert - Hoeveel - Studeer - aankomende - bijvoorbeeld - eens - geïnteresseerd - iemand - spreken - stappen - verstaan - vervoeren - welke - zeven - zitten -

1. Tager De / du imod check? > u ook cheques?
2. tale tysk > Duits
3. han er kun 7 år gammel > hij is pas jaar
4. have intersse i > interesse hebben voor / zijn in
5. der var en gang > er was
6. det ord forstod jeg ikke > ik heb het woord niet
7. en anden > een ander / anders
8. som foreksempel > zoals
9. bringe på sygehuset > naar het ziekenhuis brengen /
10. stige ud af bilen > uit de auto
11. Studerer du eller arbejder du? > je of werk je?
12. Hvor meget koster æblerne? > kosten deze appels?
13. På hvilken måde? > Op wat voor manier? / Op manier?
14. næste søndag > zondag / komende zondag
15. sætte sig ind i bilen / stige ind i bilen > in de auto gaan

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!