TEST 24: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Duits - Maakt - alles - bezoek - dan - hand - hou - maakt - naar - slapen - spreken - toespraak - vijf - wekken - zelden -

1. I dag tager jeg på markedet. > Vandaag ga ik de markt.
2. han forstår tysk > hij verstaat
3. jeg bryder mig ikke om det > het mij niets uit
4. Jeg forstår ikke, hvordan du kan sove så længe. > Ik kan niet begrijpen, hoe je zo lang kunt .
5. Jeg kan godt lide golf / tennis / skiløb. > Ik van golf / tennis / skiën.
6. Bekymr dig ikke! > u zich geen zorgen!
7. besøge én > iemand een brengen
8. det er alt > dat is / dat was het
9. sige sandheden > de waarheid
10. Vil De vække mig i morgen? > Kunt u mij morgenochtend ?
11. ikke sjældent > niet
12. holde en tale om > een rede houden over / een houden over
13. Hun er ældre, end hun ser ud. > Zij is ouder ze eruit ziet.
14. Hvad er der galt? > Wat is er aan de ? / Wat is er mis?
15. være fem meter bred > meter breed zijn

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!