TEST 16: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Dertien - Hebt - aan - affiches - bij - chocoladereep - dank - ergens - graag - graden - half - iemand - leen - moeite - poosje -

1. han bor hos mig > hij woont mij
2. Har du en telefonbog? > U een telefoongids?
3. jeg låner det af ham > ik het van hem
4. Jeg vil gerne byde dig ud en aften. > Ik zou U graag een avond willen uitnodigen om heen te gaan.
5. Jeg vil gerne have en omelet. > Ik zou een omelet willen.
6. fem minutter i halv ti > vijf voor tien
7. Det fryser 5 grader. > Het is vijf onder nul.
8. efter et stykke tid > na een tijd / na een
9. en eller anden > / de een of ander / wie dan ook
10. en plade chokolade > een reep chocola / een
11. opklæbning forbudt > verboden te plakken
12. fra nu af > van nu af / vanaf nu
13. Tretten, fjorten, femten, seksten, sytten, atten. > , veertien, vijftien, zestien, zeventien, achttien.
14. Tusind tak! / Mange tak! > Dank u zeer! / Hartelijk !
15. gøre sig umage > doen

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!