TEST 13: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
bezoek - citroen - doorbrengen - eenrichtingsverkeer - geld - kerstmis - konden - lekker - mijn - nog - onder - uiteindelijk - voor - weg - willen -

1. han er væk / han er gået sin vej > hij is
2. Har du lyst til at komme og hilse på os? > Zoudt U ons een willen brengen?
3. jeg har det ikke godt > ik voel me beroerd / ziek / niet / niet goed
4. Jeg har ikke nok kontanter. > Ik heb niet genoeg contant .
5. Jeg vil gerne have lidt citron. > Kunt u mij een schijfje brengen?
6. Jeg vil gerne købe en skjorte. > Ik zou graag een overhemd kopen.
7. der er 15 graders kulde > het is vijftien graden nul
8. det er min tur > ik ben aan de beurt / het is beurt
9. Dette er en ensrettet gade. > Dit is een straat met .
10. Vi kunne ikke gå ud fordi det regnede. > Het regende, daarom wij niet naar buiten gaan.
11. til jul > met
12. blive natten over / overnatte > de nacht / overnachten
13. endelig gøre noget > iets doen
14. stadigvæk > altijd
15. være bange for > bang zijn

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!