TEST 9: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Geel - Groeten - Mijn - dan - eigen - gebeurd - genomen - koken - onderste - pijn - schoenen - stuk - vers - ziekenhuis - zijn -

1. I stuen. > Op de verdieping.
2. tage skoene på > zijn aantrekken
3. lave maden > het eten / maken
4. have sin egen bil > een auto / wagen hebben
5. De skal på sygehuset. > U moet naar het .
6. Jeg tog en taxa fra lufthavnen. > Ik heb een taxi vanaf de luchthaven.
7. Jeg vil gerne have frisk frugt. > Ik wil graag wat fruit.
8. Vejrudsigten er god / dårlig. > De weersvooruitzichten goed / slecht.
9. Det er varmere end i går. > Het is warmer gisteren.
10. Hils allesammen! > aan iedereen.
11. Min venstre hånd bløder. > linkerhand bloedt.
12. Brun. Lyserød. Violet. Gul. > Bruin. Roze. Paars. .
13. et stykke papir > een papier
14. Hvad er der sket? > Wat is er ?
15. Hvor gør det ondt? > Waar doet het ?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!