TEST 8: dansk - nederlandsk

Drag the word to the blank!
Waar - aan - betalen - derde - eitje - fout - geboren - geen - jarig - ouder - tegen - telkens - tot - uur - weten -

1. mange hilsner fra mig til > vele groeten van mij
2. lave en fejl > een begaan
3. jeg vil gerne vide > ik zou graag willen / ik vraag me af
4. den tredje > de / het
5. det hjælper ikke noget > het heeft zin / het wordt niets / het wordt niks
6. betale sin gæld > zijn schulden
7. efter en time > na een
8. Min fødselsdag er den 30. juli. > Op 30 juli ben ik .
9. omkring middag > de middag
10. indtil i dag / indtil nu > op heden
11. koge et æg > een ei koken / een koken
12. Hun er ældre, end hun ser ud. > Zij is dan ze eruit ziet.
13. hver gang, når > elke keer als / als
14. Hvor er der en tankstation? > kan ik een benzinepomp vinden?
15. Hvornår er De / du født? > Wanneer bent u ?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!