10  [ tien ]

Gisteren - vandaag - morgen
---

---
 
 
Gisteren was het zaterdag.
---
Gisteren was ik in de bioscoop.
---
De film was interessant.
---
 
 
Vandaag is het zondag.
---
Vandaag werk ik niet.
---
Ik blijf thuis.
---
 
 
Morgen is het maandag.
---
Morgen werk ik weer.
---
Ik werk op kantoor.
---
 
 
Wie is dat?
---
Dat is Peter.
---
Peter is student.
---
 
 
Wie is dat?
---
Dat is Martha.
---
Martha is secretaresse.
---
 
 
Peter en Martha zijn vrienden.
---
Peter is de vriend van Martha.
---
Martha is de vriendin van Peter.
---
 
 
Downloads are FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only! See our LICENCE AGREEMENT.
© Copyright 2007-2008 Goethe-Verlag München und Lizenzgeber. All rights reserved. Alle Rechte vorbehalten.